Internationale
wetgeving over mensenrechten

INTERNATIONALE WET VAN MENSENRECHTEN

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is een ideaalbeeld, een norm, die door landen rond de hele wereld gedeeld wordt, maar heeft geen wettelijke kracht. Om die reden hield de VN Commissie voor Mensenrechten zich tussen 1948 en 1966 voornamelijk bezig met internationale wetgeving rond de mensenrechten gebaseerd op de Verklaring, om op die manier de implementatie en toepassing ervan af te dwingen.

De Mensenrechtencommissie produceerde twee belangrijke documenten: Het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) en het Internationale Verdrag inzake Internationale Economische, Sociale en Culturele Rechten (ICESCR). Beide werden in 1976 internationale wetten, samen met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens vormen deze twee verdragen wat nu bekendstaat als het “Internationale Verdrag van de Rechten van de Mens”.

Het IVBPR richt zich op zaken zoals het recht op leven, vrijheid van meningsuiting, religieuze vrijheid en het recht om te stemmen. De ICESCR richt zich op voedsel, onderwijs, gezondheid en onderdak. Beide verdragen proclameren deze rechten voor alle mensen en verbieden discriminatie.

Artikel 26 van het IVBPR riep een Mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties in het leven. Samengesteld uit 18 mensenrechtenexperts, is het de verantwoordelijkheid van de commissie dat elke ondertekenaar van het IVBPR zich houdt aan de bepalingen. De commissie onderzoekt rapporten zoals die door landen iedere vijf jaar ingeleverd worden (om zeker te maken dat ze zich houden aan de regels van het IVBPR), en publiceert conclusies op basis van de prestaties van de landen.

Vele landen die het IVBPR hebben ondertekend, hebben ingestemd dat de Mensenrechtencommissie tenlasteleggingen van schendingen van de mensenrechten door de Staat, aan een onderzoek kan onderwerpen. Voordat iemand een beroep doet op de commissie, moet de eiser alle wettelijke procedures via de gerechtelijke instanties in dat land hebben doorlopen. Na onderzoek publiceert de commissie de bevindingen. Van deze bevindingen gaat veel macht uit. Als de commissie de beschuldigingen accepteert moet de Staat maatregelen treffen om de schending te corrigeren.

ANDERE MENSENRECHTENDOCUMENTEN VAN DE VERENIGDE NATIES

Toegevoegd aan de verdragen van de International Bill of Human Rights, heeft de Verenigde Naties meer dan twintig belangrijke verdragen aangenomen, waarin verder wordt uitgeweid over mensenrechten. Deze omvatten conventies om specifieke schendingen te voorkomen en te verhinderen, zoals foltering en volkerenmoord, en om kwetsbare bevolkingsgroepen te beschermen zoals vluchtelingen (conventie met betrekking tot de status van vluchtelingen, 1951), vrouwen (conventie over de verwijdering van alle vormen van discriminatie tegen vrouwen, 1979), en kinderen (conventie over de rechten van het kind, 1989). Andere conventies beschrijven rassendiscriminatie, verhindering van volkerenmoord, politieke rechten van vrouwen, verbod op slavernij en foltering.

Elk van deze verdragen heeft een commissie van experts opgericht om erop toe te zien dat de verdragsbepalingen door de Lidstaten worden ingevoerd.