UNIVERSELE VERKLARING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS
Officieel Document

Artikel 21.
  1. Eenieder heeft het recht om deel te nemen aan het bestuur van zijn land, rechtstreeks of door middel van vrij gekozen vertegenwoordigers.
  2. Eenieder heeft het recht om op voet van gelijkheid te worden toegelaten tot de overheidsdiensten van zijn land.
  3. De wil van het volk zal de grondslag zijn van het gezag van de regering; deze wil zal tot uiting komen in periodieke en eerlijke verkiezingen, die gehouden zullen worden krachtens algemeen en gelijkwaardig kiesrecht en bij geheime stemmingen of volgens een procedure die evenzeer de vrijheid van de stemmen verzekert.
Artikel 22.

Een ieder heeft als lid van de gemeenschap recht op sociale zekerheid en heeft er recht op, door middel van nationale inspanning en internationale samenwerking, en overeenkomstig de organisatie en de hulpbronnen van elke staat, en dat de economische, sociale en culturele rechten die onmisbaar zijn voor zijn waardigheid en voor de vrije ontplooiing van zijn persoonlijkheid, verwezenlijkt worden.

Artikel 23.
  1. Eenieder heeft recht op arbeid, op vrije keuze van beroep, op rechtvaardige en gunstige arbeidsvoorwaarden en op bescherming tegen werkloosheid.
  2. Eenieder, zonder enige achterstelling, heeft recht op gelijk loon voor gelijke arbeid.
  3. Eenieder die arbeid verricht, heeft recht op een rechtvaardige en gunstige beloning, welke hem en zijn gezin een menswaardig bestaan verzekert, welke beloning zo nodig met andere middelen van sociale bescherming zal worden aangevuld.
  4. Eenieder heeft het recht om vakverenigingen op te richten en zich daarbij aan te sluiten ter bescherming van zijn belangen.
Artikel 24.

Iedereen heeft het recht op rust en op eigen vrije tijd, met inbegrip van een redelijke beperking van de arbeidstijd en op periodieke vakanties met behoud van loon.

Artikel 25.
  1. Eenieder heeft recht op een levensstandaard die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, waarbij inbegrepen voeding, kleding, huisvesting en geneeskundige verzorging en de noodzakelijke sociale diensten, alsmede het recht op voorziening in geval van werkloosheid, ziekte, invaliditeit, overlijden van de echtgenoot, ouderdom of ander gemis aan bestaansmiddelen, ontstaan ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van zijn wil.
  2. Moeder en kind hebben recht op bijzondere zorg en bijstand. Alle kinderen, al dan niet wettig, zullen dezelfde sociale bescherming genieten.
Artikel 26.
  1. Eenieder heeft recht op onderwijs. Het onderwijs zal kosteloos zijn, althans wat het lager- en basisonderwijs betreft. Het lager onderwijs zal verplicht zijn. Technische- en beroepsopleiding zullen algemeen beschikbaar worden gesteld en hoger onderwijs zal gelijkelijk openstaan voor iedereen die daartoe de begaafdheid bezit.
  2. Het onderwijs zal gericht zijn op de volledige ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid en op de versterking van de eerbied voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het zal het begrip, de verdraagzaamheid en de vriendschap onder alle naties, volkeren of godsdienstige groepen bevorderen en het zal de werkzaamheden van de Verenigde Naties voor de handhaving van de vrede steunen.
  3. Aan de ouders komt in de eerste plaats het recht toe om de soort van opvoeding en onderwijs te kiezen, welke aan hun kinderen zal worden gegeven.
Artikel 27.
  1. Eenieder heeft het recht om vrijelijk deel te nemen aan het culturele leven van de gemeenschap, om te genieten van de kunst en om deel te hebben aan wetenschappelijke vooruitgang en de vruchten daarvan.
  2. Eenieder heeft recht op de bescherming van de geestelijke en materiële belangen, voortvloeiende uit een wetenschappelijk, letterkundig of artistiek werk dat hij heeft voortgebracht.
Artikel 28.

Iedereen heeft het recht op het bestaan van een zodanige maatschappelijke en internationale orde waarin de rechten en vrijheden die in deze Verklaring worden genoemd, ten volle kunnen worden verwezenlijkt.

Artikel 29.
  1. Eenieder heeft plichten jegens de gemeenschap, zonder welke de vrije en volledige ontplooiing van zijn persoonlijkheid niet mogelijk is.
  2. In de uitoefening van zijn rechten en vrijheden zal eenieder slechts onderworpen zijn aan die beperkingen welke bij de wet zijn vastgesteld, en wel uitsluitend ter verzekering van de onmisbare erkenning en eerbiediging van de rechten en vrijheden van anderen en om te voldoen aan de gerechtvaardigde eisen van de moraliteit, de openbare orde en het algemeen welzijn in een democratische gemeenschap.
  3. Deze rechten en vrijheden mogen in geen geval worden uitgeoefend in strijd met de doeleinden en beginselen van de Verenigde Naties.
Artikel 30.

Geen bepaling in deze Verklaring mag zodanig mogen worden uitgelegd, dat welke Staat, groep of persoon dan ook, daaraan enig recht kan ontlenen om iets te ondernemen of handelingen van welke aard dan ook te verrichten, die afbraak van een van de rechten en vrijheden in deze verklaring genoemd, ten doel hebben.